Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontvankelijkheid verzoek 591a van het Wetboek van Strafvordering

Het verzoek ex artikel 591a, tweede lid,van het Wetboek van Strafvordering dient ingevolge artikel 591a, vierde lid, en artikel 591, tweede lid, van dat wetboek binnen drie maanden na het eindigen van de zaak te worden ingediend. Deze termijn begint in dit geval pas te lopen nadat de kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend (Vgl. Hoge Raad 6 oktober 1998, NJ 1999, 106). Aangezien aan appellant geen kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, is de zaak strikt genomen nog niet geëindigd. Daar zal het hof in dit geval om proceseconomische redenen overheen stappen omdat het Openbaar Ministerie zich in eerste aanleg en in hoger beroep uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de zaak tegen appellant reeds is geëindigd. Appellant kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

Uitspraak



GERECHTSHOF ARNHEM

Pkn: 05/700995-10

Avnr: 138-12

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 oktober 2011, houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 17 april 2011 de advocaat-generaal en appellant.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift, ingediend op 4 april 2011 ter griffie van de rechtbank Arnhem door appellant;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte rechtsmiddel van 9 december 2011, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarbij door appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- de ter zitting van het hof door appellant overgelegde pleitnota;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1.

Het hof leidt uit het dossier af dat voor de zaak met parketnummer 05-7010995 een dagvaarding is uitgebracht voor een zitting van de politierechter te Arnhem op 11 november 2010. Deze dagvaarding is op 16 september 2010 in persoon aan appellant betekend. Het hof leidt voorts uit het dossier af dat voornoemde dagvaarding is ingetrokken. Bij brief van 15 december 2010 heeft de officier van justitie – ingevolge het bepaalde in artikel 266, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – aan appellant kennisgegeven van (verdere) vervolging af te zien. Blijkens de verklaring van appellant in eerste aanleg, welke hij ter zitting van het hof heeft bevestigd, heeft hij voornoemde kennisgeving op 16 december 2010 ontvangen. Het verzoekschrift is op 4 april 2011 door appellant ter griffie van de rechtbank Arnhem ingediend. Gelet op het vorenstaande rijst de vraag of appellant in het verzoek kan worden ontvangen.

2.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Daarbij heeft de rechtbank het volgend overwogen:

‘Op grond van het bepaalde in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering heeft verzoeker 3 maanden (90 dagen) de tijd om een verzoekschrift in te dienen. Uitgaande van het feit dat verzoeker, zoals door verzoeker zelf ter raadkamer is bevestigd, op 16 december 2010 de sepotmededeling heeft ontvangen, had hij dus tot 16 maart 2011 de tijd om het verzoekschrift in te dienen. Het verzoekschrift is echter ingediend op 4 april 2011’.

3.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep.

4.

Appellant heeft gesteld dat indien er twijfel bestaat over zijn ontvankelijkheid hem, conform bestaande jurisprudentie, het voordeel van de twijfel dient te worden gegund zodat hij in zijn verzoek kan worden ontvangen.

5.

Ten aanzien van de ontvankelijkheidvraag acht het hof ten eerste van belang of de kennisgeving van niet verdere vervolging van 15 december 2010 aan appellant had moeten worden betekend.

Artikel 245a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt:

‘Kennisgevingen van verdere vervolging en van niet verdere vervolging worden aan de verdachte betekend’.

Deze bepaling staat in Boek 2, Titel IV, en is van toepassing in zaken waarin een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgevonden en/of voorlopige hechtenis is toegepast. In de zaak tegen appellant was er geen sprake van een gerechtelijk vooronderzoek of voorlopige hechtenis.

Artikel 266, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt:

‘Wordt bij of na de intrekking der dagvaarding van verdere vervolging afgezien, dan doet de officier van justitie den verdachte onverwijld kennis geven dat hij hem ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, niet verder zal vervolgen. De artikelen 246, 247 en 255 zijn van toepassing ’.

Artikel 267, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt vervolgens:

‘Indien de dagvaarding is ingetrokken, zonder dat den verdachte eene kennisgeving van niet verdere vervolging is beteekend ( onderstreping hof) , stelt de rechtbank, op het verzoek van den verdachte, den officier van justitie een termijn binnen welken hetzij tot dagvaarding, hetzij tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden overgegaan. Artikel 255, vierde en vijfde lid, is van toepassing. ’

Uit het bepaalde in artikel 266, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt niet uitdrukkelijk dat de kennisgeving van niet verdere vervolging aan appellant moet worden betekend, te meer nu artikel 245 a – anders dan de artikelen 246, 247 en 255 – van het Wetboek van Strafvordering niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Gelet op de bewoordingen van artikel 267 van het Wetboek van Strafvordering volgt naar het oordeel van het hof echter desalniettemin uit het systeem van de wet dat de kennisgeving van niet verdere vervolging van 15 december 2010 aan appellant had moeten worden betekend (Vgl. G.J.M. Corstens, ‘Het Nederlands strafprocesrecht’, Kluwer, Deventer 2011, 7e druk, p. 531).

6.

Het verzoek ex artikel 591a, tweede lid,van het Wetboek van Strafvordering dient ingevolge artikel 591a, vierde lid, en artikel 591, tweede lid, van dat wetboek binnen drie maanden na het eindigen van de zaak te worden ingediend. Deze termijn begint in dit geval pas te lopen nadat de kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend (Vgl. Hoge Raad 6 oktober 1998, NJ 1999, 106). Aangezien aan appellant geen kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, is de zaak strikt genomen nog niet geëindigd. Daar zal het hof in dit geval om proceseconomische redenen overheen stappen omdat het Openbaar Ministerie zich in eerste aanleg en in hoger beroep uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat de zaak tegen appellant reeds is geëindigd. Appellant kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

7.

Het inleidende verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding aan appellant op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ter zake van:

- de door appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfskosten;

- de door appellant gemaakte kosten van rechtsbijstand ad € 6.356,01, te vermeerderen met de leenrente van 9.9%;

- schade door opsluiting, intimidatie en fysiek geweld;

- het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

8.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellant kan in zoverre daarin worden ontvangen.

9.

Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten en in de kosten van een raadsman. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

10.

De reiskosten van appellant voor het bijwonen van de behandeling van het verzoekschrift ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering door de rechtbank te Arnhem op 24 maart 2010, voor het bijwonen van de behandeling van het verzoekschrift in eerste aanleg en in hoger beroep zijn voor toewijzing vatbaar op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. Toegewezen kan worden: driemaal een retour bus/NS 2e klasse Meppel-Arnhem à € 95,40.

11.

De reiskosten voor het ophalen van eigendommen, het bezoek van de raadsman, het bekijken van de van beelden en de WOB-procedure vallen buiten het beslissingskader van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

12.

Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan appellant een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja, tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman gedeclareerde tijd of het door hem gehanteerde uurtarief.

13.

Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Het hof zal, alle omstandigheden in aanmerking genomen en gelet op het gematigde uurtarief van de raadslieden, op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekennen het gevraagde bedrag van € 6.356,01 (inclusief BTW).

14.

Appellant heeft ook gevraagd om rentevergoeding met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand. Voor een rentevergoeding als verzocht is echter in deze procedure geen plaats. Deze rentekosten zijn niet aan te merken als kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Voorts merkt het hof op dat de wettelijke rente pas verschuldigd is als de Staat in verzuim zou zijn een verschuldigd bedrag te betalen. Dat is pas aan de orde als de rechter tot het oordeel is gekomen dat op gronden van billijkheid aan verzoeker een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand wordt toegekend en de Staat nalatig blijft die vergoeding uit te keren. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

15.

De gevraagde vergoeding ter zake van schade door opsluiting, intimidatie en fysiek geweld valt buiten het beslissingkader van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

16.

Voor vergoeding van de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van dit verzoekschrift, zoals verzocht bestaat geen ruimte, nu appellant het verzoekschrift zelf heeft opgesteld en zich ook in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft laten vertegenwoordigen door een raadsman. Derhalve heeft appellant geen kosten gemaakt althans behoeven te maken als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek zal in zoverre worden afgewezen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 6.451,41 (zesduizend vierhonderd eenenvijftig euro en eenenveertig cent) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op het bankrekeningnummer[nummer] t.n.v.[appellant] o.v.v. schadevergoeding ex 591a Sv.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, E.A.K.G. Ruys en C. Caminada, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 1 juni 2012.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature